Vroeger als nitwit wist ik het allemaal wel. Diegene die het hardste kon trappen, ja die won de Tour. Ja, want wat moet je anders kunnen? Stelt niets voor joh, dat fietsen. Doe ik naar school ook altijd. Eitje.
Later, toen ik voor mijn werk als sportjournalist het wielrennen moest volgen, begreep ik het al beter. Goeie benen zijn belangrijk, maar een slimme tactiek, een puike conditie en feilloos materiaal is ook meer dan belangrijk.
Nu ik zelf ben begonnen met fietsen, snap ik was echt waar de clou van het wielrennen zit: in je lef. Zonder lef bereik je namelijk niets op de fiets. Het is het belangrijkste onderdeel. Iemand met een super conditie en benen als een os, zal nooit kunnen winnen, wanneer hij geen ballen meer heeft. (En dan reken ik die platgeslagen dingen na een 100 kilometer niet mee).
Lef zorgt er namelijk voor dat je überhaupt op een fiets stapt. En je jezelf over het mogelijk verliezen van je kinderbijslag zet. Geen gezeik over pijn aan je kloten, maar in een dun broekje met een zeemleren middenstuk hijsen en crossen maar.
Lef zorgt ervoor dat je nog net even voor die aanstormende vrachtwagen door rood racet, om zo je benen maar warm te houden. Dat je daarnaast je gemiddelde snelheid hoog houdt, is ook geen onbelangrijke bijzaak.
Lef zorgt ervoor dat je niet bang bent in de regen. Je gewoon over die witte wegmarkering heen knalt en niet opkijkt van wat spettertjes of een doorschijnend broekje.
Lef zorgt ervoor dat je bijschakelt op een berg. Wat nou verliezen van je mederijder. Klimmen zul je. Als een geit. Als een debiel. Tandje hoger en aanzetten maar.
Fietsen draait om conditie, gogme, sterke benen en veel durf. Dat laatste zit in elke fietser, dat moet wel. Stelletje lefgozers zijn we eigenlijk he?